Een mooie zomer betekent ook weer weekenden bezwangerd met de lucht van rokend vet en geschroeid vlees. Nederland houdt immers van barbecueën.
Van ons hele gezin vroeger – we hebben het over eind jaren zeventig - vond de hond barbecueën het leukst. Mijn moeder trok – en trekt - haar neus op bij de gedachte aan het eten van veel vlees. Zij spreekt het woord speklapje uit alsof het een onbetamelijke kwaal betreft. Mijn vader genoot het meest van het fikkie stoken. Mijn broer zat na één hamburger al vol en ik had het geduld niet om te wachten tot de shaslicks gaar waren en at daarom te veel brood. We probeerden wel te barbecuen, maar met weinig overgave.
De hond dreutelde daarentegen met opgewekte staart tussen de campingstoelen door om borden leeg te eten die op de grond stonden of om met snelle bek gevallen worstjes voor de handen van mijn vader weg te kapen. Zijn barbecuehoogtepunt was die keer dat mijn moeder hem in de caravan opsloot om het vlees veilig te stellen, terwijl mijn vader het vlees daar had gezet zodat de hond er niet bij kon. Meneer bleek in zijn korte tijd in deze hondenhemel alleen de biefstuk en varkenshaas te hebben genuttigd. Een hond met pure smaak, wie had dat toen kunnen bedenken.
De jaren zeventig zijn lang geleden en barbecueën is niet meer gelijk aan het zwart stoken van ongehoorde lappen vlees. Iets anders vereist echter wat creativiteit, grof zout en fijne olijfolie. Met alleen die laatste twee kan je zo’n beetje alles lekker maken. Probeer eens knoflook en courgette te roosteren. Of gril tomaten met rozemarijn. Blaker paprika’s zwart (wel pellen) en spies een rijtje garnalen (ook pellen). Mijn persoonlijke favoriet: marineer kort blokjes verse tonijn in olijfolie en Italiaanse kruiden en maak er shaslicks van met citroenschijfjes en courgette. Daar eet zelfs mijn moeder er twee van.







De beste bqq's zijn trouwens die waar geen sauzen van Calvé op tafel staan, maar zelfgemaakte sausjes.
Voeg reactie toe